Column
Catharina Botermans
Pleidooi voor de jonge vrouw
11 januari 2012
Ze zijn leuk hoor, al die jonge mannen van rond de dertig die bij D66 Fryslân rondlopen. Ze zijn goed opgeleid en ambitieus, zitten boordevol plannen en ideeën. Ze staan open voor de wereld, zijn gedreven, geïnteresseerd en zien er nog leuk uit ook. Voor, tijdens en na vergaderingen, op borrels en vrijdagmiddag in de kroeg, overal zijn ze een recept voor gezelligheid en onderhoudende conversaties. Ze hebben slechts een gezamenlijke manco. Het zijn allemaal mannen…
Na bijna twee jaar actief lidmaatschap van D66 in Fryslân moet ik constateren dat het met de jonge vrouwen onder ons zeer mager is gesteld. In eerste instantie dacht ik dat ik de andere dames gewoon nog niet had ontmoet. Inmiddels moet ik helaas constateren dat dit niet het geval is. De verhouding mannen / vrouwen in de generatie laat twintigers begin dertigers is erbarmelijk scheef. Waar zijn ze? Of eigenlijk, waarom zijn ze er niet?
Helemaal verstoken van de aanwezigheid van jonge vrouwen zijn we natuurlijk niet. De Leeuwarder raad mag zich bijvoorbeeld verheugen in de aanwezigheid van Hilde Tjeerdema. Met een druk promotieonderzoek, het raadslidmaatschap èn een kind is zij het toonbeeld van een ambitieuze jonge vrouw die ook nog politiek actief is. Ook Julie Bruijnincx presteert het een opleiding en een full time baan te combineren met de functie van secretaris in het regiobestuur. Deze dames zijn echter uitzonderingen op de regel en hebben door hun drukke bestaan nauwelijks ruimte om meer tijd aan D66 te besteden dan binnen hun eigen gremia. Waar zijn de anderen?
Zijn de Jonge Democraten misschien verantwoordelijk voor het ontbreken van jonge vrouwen bij D66 Fryslân? Ik bel met voorzitter Yuri van Hoef. Al snel wordt duidelijk dat ook bij de JD geen jonge vrouwen actief zijn. Ook niet in de categorie jonge twintigers. Van Hoef geeft wel een duidelijke reden. De JD raakt veel actieve leden kwijt aan de universiteitssteden. Politiek talent stroomt daarmee letterlijk weg uit Fryslân om zich in andere delen van het land verder te ontwikkelen. Het is een mooie verklaring, maar vast niet de enige. Ik ben nog niet helemaal tevreden.
Hebben de andere partijen dan alle jonge vrouwen opgeslokt? Ik vraag het mijn collega’s van de andere Statenfracties tijdens de lunch. Ook daar vang ik bot. We concluderen dat jonge vrouwen sterk ondervertegenwoordigd zijn in de Friese politiek in het algemeen. De redenen daarvoor zijn volgens mijn collega’s dat ze of niet geïnteresseerd zijn of een te druk leven leiden. Als ze wel actief zijn in de politiek bestaat dit zelden uit meer dan een bezoek aan een algemene regio- of ledenvergadering. Ook constateren we twee gevolgen van deze ondervertegenwoordiging. Als jonge vrouw kun je snel indruk maken in de Friese politiek, veel concurrentie zal je niet tegenkomen. Tegelijkertijd kan deze scheve verhouding leiden tot overwaardering van de vrouwen die er wel zijn. Schaarste maakt gewild maar niet noodzakelijk kwalitatief beter. Conclusie, we hebben deze jonge vrouwen niet alleen nodig omdat ze vrouw en jong zijn en alleen daarom al iets toe te voegen hebben aan onze partij, maar ook juist om de interne kwaliteit van de partij te waarborgen. Maar, waar zijn ze? En waarom lukt het ons niet ze te betrekken?
Gelukkig wordt de vrouwelijke helft van onze samenleving binnen D66 Fryslân prima vertegenwoordigd door de aanwezigheid van een groot aantal actieve vrouwen van iets ouder dan 30+. Desalniettemin, kent u een jonge vrouw van rond de dertig die lid is of wil worden van D66 Fryslân? Neem haar mee naar een borrel of vergadering! Misschien kunt u haar over de streep trekken door haar te informeren over de grote hoeveelheid goed opgeleide, ambitieuze, wereldse, geïnteresseerde en goed uitziende jonge mannen die bij ons actief zijn!
Democratischer?
Na maanden genoeglijk keuvelen over de liberale overeenkomsten tussen onze partijen zijn mijn collega van de VVD en ik het opeens hartsgrondig met elkaar oneens. De discussie tussen ons spitst zich toe op de inspraak die onze partijen geven aan hun leden.
“Jullie zijn democratisch bij de voordeur, wij bij de achterdeur” stelt hij. “Niet waar” zeg ik “jullie zijn democratisch bij de achterdeur, wij zijn democratisch bij de voor- én achterdeur, dat is een wezenlijk verschil!” “Klopt” zegt hij, “maar, dat betekent niet dat wij minder democratisch zijn dan jullie.”
Is dat waar vraag ik me af. Is democratie bij de achterdeur voldoende? Hij doet er nog een schepje bovenop: “jij maakt van democratie een optelsom. Wie het vaakst de gelegenheid geeft tot inspraak, stemming, etcetera is democratischer.”
Democratie is niet een onderwerp waar ik graag over praat met andere D66’ers. We zijn zo doordrongen van deze basiswaarde van onze partij dat kritische vragen misplaatst lijken. Waarom zou je willen rommelen aan de basis? Ik moet bekennen dat ik de zeer ondemocratische neiging heb om er dan maar niet over te praten. Bang voor de reactie van anderen. Toch is het een onderwerp dat me regelmatig bezig houdt en waar ik in de loop van de jaren veel kritischer en vooral ook minder enthousiast over geworden ben. Ik maak me vaak zorgen over bijvoorbeeld het behoud van expertise binnen democratische besluitvormingsprocedures. De soms beangstigende invloed van slecht geïnformeerde mensen en andere soortgelijke vraagstukken. Maar of het antwoord daarop ligt in het reduceren van inspraak en instemmingsmoment durf ik niet te stellen. Is mijn zogenaamde optelsom daadwerkelijk een som of is zij een uiting van een basiswaarde?
“Wat is nu precies de meerwaarde van die democratische voordeur van jullie?” vraagt hij.
Ik vertel hem over de laatste Algemene Regio Vergadering van D66 Fryslân. In deze vergadering werd een instellingsbesluit voor een nieuwe commissie teruggestuurd naar de tekentafel. De reden hiervoor was niet een onduidelijke taakomschrijving of andere inhoudelijkheden. De vergadering was van mening dat de opstellers, waaronder ik zelf, te voorbarig en daarom ondemocratisch waren geweest. In een poging de commissie zo snel mogelijk leven in te blazen hadden wij namelijk alvast een voorsortering gemaakt op de mensen die deze commissie zouden kunnen gaan bemannen. Een poging dus om de democratische voordeur over te slaan. De vergadering maakte hier onmiddellijk korte metten mee. Zij gaf de opdracht een open en democratische procedure op te stellen voor deelname aan de commissie en dit in een volgende vergadering weer opnieuw voor te stellen.
“Maar dat is nog een heel proces waar je nu nog helemaal door heen moet. Dat is maanden stilzitten.” roept mijn collega uit.
“Dat is ook zo” geef ik toe. “Ik zeg ook niet dat het niet stomvervelend is, maar dat is het punt niet. Het is geen optelsom maar een principieel uitgangspunt. Dat deze processen moeilijk en vermoeiend zijn en soms niet altijd vlekkeloos verlopen betekent niet dat het principe niet klopt. Het betekent slechts dat de procedures die dit principe moeten borgen niet waterdicht zijn. Aan ons de taak daar altijd kritisch over na te blijven denken.”
Argumentatielijn Fryslân
19 oktober 2011
De Friese politiek probeert met man en macht het merk
‘Fryslân’ te promoten. We moeten Fan Fryslân worden ,de mooiste provincie van
Nederland blijven en Fryslân beleven! Deze marketingstrategie wordt echter op
meer terreinen gebruikt dan alleen voor toeristische promotiedoeleinden. Zij is
onderdeel geworden van het politieke jargon en doorgedrongen tot de
argumentatielijnen die in de Staten worden gebruikt. Ons mooie Fryslân wordt
niet alleen gepromoot door het beleid van de provincie. Ons mooie Fryslân wordt
ook ingezet om het beleid zelf te promoten.
De redenering gaat als volgt: wij houden allemaal van
Fryslân; beleid X is goed voor Fryslân, wij houden dus ook van beleid X; beleid
X moet uitgevoerd worden want zij is goed voor Fryslân.
Met een dergelijke redenering lijkt in eerste instantie niks
mis. We houden immers allemaal van ons mooie Fryslân en willen niks liever dan dat
zij de mooiste provincie van Nederland blijft. Het probleem begint pas wanneer
er verschillende ideeën bestaan over hoe we dat het beste kunnen doen. Wordt
door een partij geclaimd dat beleid X goed is voor Fryslân dan creëert men
daarmee voor zichzelf een psychologisch
voordeel. Tegenstanders van het betreffende beleid kan nu impliciet verweten
worden dat zij tegen beleid zijn dat
goed is voor Fryslân. En dat kan natuurlijk niet. Dit heeft tot gevolg dat
iedereen over elkaar heen buitelt in een poging aan te tonen hoe goed men het
voor heeft met Fryslân. Onze provincie wordt daarmee gebruikt als middel om
politieke keuzen aan de man te brengen en als argument om elkaar mee om de oren
te slaan. Over de daadwerkelijke kwaliteit van het beleid zeggen dergelijke
redeneringen natuurlijk niks. En daar ligt ook het probleem. We hebben van Fryslân
een argumentatielijn gemaakt. Terwijl ze feitelijk ons doel is en ons
uitgangspunt.
Ons misbruik van Fryslân blokkeert de politieke discussie. Diegene die de kaders
schetsen of de discussie openen, vaak is dat Gedeputeerde Staten, maken
onmiddellijk gebruik van de ‘ons beleid is goed voor Fryslân’ -argumentatielijn
en zetten daarmee iedereen die mogelijk commentaar wilde geven op achterstand. Deze
strategie beperkt zich echter geenszins tot Gedeputeerde Staten, iedereen maakt
zich hier schuldig aan. Partijen nemen niet langer de moeite om hun keuzen te
funderen. Hun ideeën zijn immers goed voor Fryslân. Wat wilt u nog meer? Dat
beleid Y net zo goed is voor Fryslân als beleid X maakt geen deel meer uit van
de discussie. Van een gedegen onderbouwing is nog maar weinig sprake.
Wat mijn eigen partij betreft hoop ik dat we afstand kunnen
houden van deze debatstrategie. Persoonlijk ben ik ervan overtuigd dat elke
politieke partij in Fryslân het beste voor
heeft met de provincie en dat we
met iets minder politiek chauvinisme ook een toekomst tegemoet gaan waarin Fryslân
de mooiste, de leukste en de fijnste provincie zal zijn om in te wonen, te
werken en te leven.
Vleestaks
9 oktober 2011
Heeft u wel eens een kip geslacht? Ik wel. Als klein meisje mocht
ik mijn vader regelmatig helpen bij het slachten. Dit gebeurde zo eens in de
paar maanden. Soms waren het onze eigen kippen soms werden ze gebracht door buren of
kennissen. Als het daadwerkelijke slachtmoment was aangebroken, was mijn vader
steevast de afwasteil vergeten waarin hij de veren, kop en andere onbruikbare
delen opving. Ik rende dan zo snel als ik kon van de schuur terug naar ons huis
om die teil te pakken en op tijd terug te zijn voordat de eerste handeling,
namelijk het doden van de kippen, zou plaatsvinden. Tegen de tijd dat ik bij
het hok terugkwam lagen de hennen echter al bloedend op een hoopje en was mijn
vader al begonnen met hun verdere ontmanteling.
Waarom mijn vader het zo belangrijk vond dat ik juist deze
handelingen zou missen, begreep ik pas toen ik een aantal jaren geleden voor
het eerst zelf twee hanen slachtte. Mijn vader probeerde niet alleen mij af te
schermen, hij schermde ook, en misschien
wel vooral, zichzelf af. Het eigenhandig ombrengen van een levend wezen is geen
handeling die je graag deelt met iemand anders. Pas op het moment van uitvoeren
besefte ik hoe arbitrair en willekeurig mijn handelingen waren. Die realisatie
sloeg me in mijn gezicht als een donderslag.
Als kind was ik me hiervan niet bewust. Sterker nog, het hele
proces fascineerde me. Ik weet nog precies hoe een kippenhartje er van binnen
uitziet. Hoe je het maagje binnenstebuiten kunt draaien en hoe je via een
inkeping in de oksel van de kip in één haal met je duim het merendeel van de
huid los kunt trekken. Ik vond het prachtig!
Onder leiding van Marianne Thieme stelt de Partij voor de
Dieren een vleestaks voor. Een btw-tarief van 19% op vleesproducten. Volgens
Thieme vindt ruim tweederde van de Nederlanders dat vlees een luxeproduct is. We
zouden de aankoop van vlees dus ook als zodanig moeten belasten.
Voordat ik zelf een kip slachtte, zou ik dit een slecht idee gevonden hebben. Om
de willekeur te begrijpen moest ik ervaringsdeskundige worden. En of dit idee
beter is dan de kiloknallertaks van D66, die zich beperkt tot niet biologisch
vlees, weet ik niet. Mijn liberale hart spreekt dit in ieder geval tegen. Dat
onze willekeurige houding ten opzichte van vlees beteugeld moet worden, staat
echter ook voor mij buiten kijf. Toch vraag ik me af of dit genoeg zal zijn?
Misschien moeten we toch maar even aan Marianne Thieme vragen of ze
gelijktijdig met de vleestaks ook nog even een wetsvoorstel in wil dienen dat
onze ervaringsdeskundigheid bevordert. We zouden bijvoorbeeld het slachten van
een kip, of een ander dier, verplicht kunnen stellen binnen het onderwijscurriculum
op middelbare scholen. Misschien dat onze toekomstige generaties zich dan,
naast de ecologische en financiële voordelen van een dergelijke taks, ook op basis
van de eigen ervaring de willekeur van
het doden en eten van dieren zullen realiseren. Zover zal Thieme echter wel niet willen
gaan…..
Een duale handreiking
2 oktober 2011
Dat dualisme vooral een theoretisch concept is en door de bank genomen slecht overeenkomt met de werkelijkheid is een conclusie die al vaak getrokken is. Alle illusies die ik bij het aantreden van D66 in de Friese Staten nog had, omtrent de scheiding tussen een bestuur dat louter bestuurt en een volksvertegenwoordiging die dit bestuur controleert, waren dan ook snel verdwenen. Al in de allereerste commissievergadering waar Johannes Kramer als gedeputeerde aantrad, werd een werkelijk vernietigend rapport van de noordelijke rekenkamer door de FNP-fractie gediskwalificeerd met woorden in de trant van ‘waarom nou toch zo negatief er gebeuren binnen dit beleidsprogramma toch ook een heleboel goede dingen’. Dat Kramer dit beleid pas een halve dag onder zijn hoede had en niemand hem enig falen aan zou rekenen deed er al helemaal niet meer toe. De FNP-fractie wou laten zien dat zij achter hun gedeputeerde stond. Alle goede bedoelingen ten spijt, dualisme als scheidend kader tussen bestuur en vertegenwoordiging is in de praktijk een utopie. We moeten haar dan ook niet zien als vast onderdeel van het takenpakket van onze volksvertegenwoordigers maar eerder als denkkader waaraan deze politici hun handelen kunnen ijken en toetsen. Dualisme is daarmee niet een opdracht maar een keuze. En ook nog een keuze die maar weinig gemaakt wordt.
Dat is jammer. Zeker als het honoreren van het dualistische principe veel onduidelijkheid en ontevredenheid kan voorkomen. Bijvoorbeeld tijdens het proces van coalitievorming binnen de huidige Staten in Fryslân. In een poging de grote ontevredenheid van de oppositie over de werkbaarheid van het uitvoeringsakkoord het hoofd te bieden deed Jornt Ozenga, fractievoorzitter van de PvdA, ons een handreiking. Met de letterlijke woorden: ‘ik doe jullie een handreiking’. Waar deze handreiking precies uit bestond is me nog steeds niet helemaal duidelijk, maar daar gaat deze column niet over. Belangrijker hier is het principe er achter. Of eigenlijk het feit dat deze handreiking niet in dualistische principe geijkt is. Ozenga draagt bij aan de frustratie van oppositiepartijen door zijn rol als fractievoorzitter ondergeschikt te maken aan de taakstelling van de coalitie. Hij plaatst zichzelf binnen het takenpakket van Gedeputeerde Staten terwijl zijn persoon daar feitelijk geen deel van uitmaakt. Zijn uitgestoken hand is sympathiek, maar impliceert tegelijkertijd dat er tussen Ozenga en de andere partijen iets te overbruggen valt. Terwijl hij juist aan onze kant zou moeten staan. Niet in zijn doelstelling, maar wel in zijn taakomschrijving.
Dat betekent niet dat Ozenga ons geen handreiking zou kunnen doen. Dat kan hij wel degelijk. Om daartoe te komen moet hij zich echter een andere vraag stellen dan hij tot nu toe heeft gedaan. De vraag die hij zich zou moeten stellen is niet: geef ik mijn volle gewicht mee aan dit akkoord omdat ik het eens ben met de taakstelling en idealen? De vraag die Ozenga zichzelf moet stellen is: kan ik mijn taak als controleur van het beleid van Gedeputeerde Staten uitvoeren zonder de extra kennis die ik heb omdat mijn partij tot de coalitie behoort? Kan ik de keuzen die gemaakt worden doorgronden? Is dit plan even helder en duidelijk voor hen die geschreven hebben als voor hen die aan de zijlijn staan? Pas als hij die vragen helder en duidelijk gaat beantwoorden gaat hij weer controleren in plaats van besturen en wordt daarmee weer onderdeel van de Provinciale Staten. Dan ook zullen onze Statenleden zijn uitgestoken hand van harte aannemen.
Visie en/of de wil van de kiezer?
24 september 2011
Peter Kanne, onderzoeker bij TNS Nipo, stelt in zijn boek
‘gedoogdemocratie, heeft stemmen eigenlijk wel zin?’ dat de Nederlandse
politiek gebukt gaat onder het bestaan van een kloof tussen kiezer en gekozene.
Kort opgesomd heeft dit probleem twee componenten: a. er bestaat een gebrek aan
visie bij politieke partijen; en b. de politiek luistert niet naar het volk.
Kanne is niet de enige die zich met dit onderwerp bezighoudt – al is hij wel
een van de weinigen die dit op een constructieve manier doet. Het onderwerp is
niet van de publieke agenda af te slaan. Op zijn minst opmerkelijk is echter
dat deze vaststelling steeds weer als verrassing aan ons gepresenteerd wordt.
Alsof het de eerste keer is. Vanwaar deze verbazing?
Laten we deze probleemstelling eens nader bekijken.
Het woordje ‘visie’ is verworden tot een toverwoord binnen het huidige Nederlandse politieke klimaat. Voornamelijk gebruikt in combinatie met de woorden ‘gebrek aan’ wordt zij te pas en te onpas als argumentatie ingezet. Mark Rutte wordt door verschillende media als visieloos geportretteerd. De oppositie verwijt de coalitie voortdurend een gebrek aan visie, maar ontkomt zelf ook niet aan dit verwijt. Volgens Maurice de Hond (peiling juni 2011) is het grootste probleem van de PvdA niet het leiderschap van Job Cohen maar een algemeen gebrek aan visie binnen zijn partij. Zelfs van Haersma Buma stelt tijdens de algemene politieke beschouwingen dat het CDA bij dit kabinet een visie op burgerschap mist!
Was er maar visie, want dan kwam alles goed… of toch niet?
Al in de 18de eeuw waarschuwt onze liberale voorvader Adam Smith ons voor een overmaat aan visie. Visie impliceert namelijk dat we weten hoe andere mensen zouden moeten leven. Visie veronderstelt daarmee maakbaarheid. En maakbaarheid gaat ten koste van de natuurlijke dynamiek die ontstaat als mensen met elkaar proberen samen te leven. En hoewel Smith theoretiseerde over veel verdergaande consequenties dan hier van toepassing is, lijkt de kiezer zijn argumentatie te ondersteunen. Zij willen dat de politiek iets zegt over de problemen die zij ondervinden in hun poging met elkaar samen te leven. De waan van de dag, de week, de maand. De politicus wordt daarom gevraagd beter naar de kiezer te luisteren.
Wordt het tijd onze verbazing aan de kant te zetten? Moeten we, in een politiek klimaat waar Job Cohen het niet redt ‘op basis van de inhoud’ en niemand zoveel populariteit geniet als de zogenaamd visieloze Mark Rutte, misschien accepteren dat ‘visie’ en de ‘wil van het volk’ in essentie onverenigbaar zijn? Of is het juist de verbazing die de visionairen binnen politiek Nederland beschermt tegen de soms oorverdovende ‘wil van het volk’?
Koningsgezind
8 september 2011
8 bij 8 mm groot was Wilhelmina toen ik haar voor het eerst zag op de achterkant (of is het de voorkant) van een dubbeltje. Getooid met kroontje en een minuscuul klein pareltje in haar oor. Als klein meisje was ik direct gefascineerd. Nu een kwart eeuw later ben ik dat nog steeds. Niet alleen met grootse historische vrouwen, maar juist ook met de geschiedenis van de Europese koningshuizen in het algemeen. De discussie rond de taken van ons koningshuis is daarom een die ik met enig hartzeer volg. Hoe kan het toch zo zijn dat sommige Nederlanders zich sterk verbonden voelen met ons koningshuis terwijl anderen haar zien als overbodig sediment van onze staatskundige geschiedenis? Regelmatig vraag ik mij af hoe ik mijn eigen lidmaatschap van D66 vereenzelvig met mijn liefde voor ons koningshuis. Op dergelijke momenten kijk ik verlangend naar de VVD. Het moet toch heerlijk zijn onverstoord liberaal én oranjegezind te zijn. Toch krijg ik een ongemakkelijk gevoel als Bolkestein in de volkskrant over deze kwestie zegt: 'Laten die Kamerleden zich bezighouden met andere aangelegenheden.'
Van wie anders is dit een aangelegenheid dan van onze kamerleden? Een evaluatie van de politieke en staatskundige spelregels zou altijd op de agenda van onze volksvertegenwoordigers moeten staan. Juist dit proces van machtverschuiving, hoe miniem ook, legt onze politieke idealen en ons politieke hart bloot. Hoe wij staatsrechtelijk wensen om te gaan met macht is de essentie van ons staatsbestel. We moeten daar altijd over na willen blijven denken en er aan willen blijven sleutelen.
Dat is ook precies waar mijn fascinatie en mijn oranje hart in d66 zijn ideaal vindt.
Vanuit de progressieve gedachte is het koningshuis geen pilaar van onze cultuur die langzaam afbrokkelt maar juist een institutie die regenereert, meegaat met zijn tijd, zich steeds verder ontwikkelt. Door zich aan te passen aan onze maatschappij behoudt ze zichzelf en blijft ze deel uitmaken van onze staatkundige ontwikkeling. Ook als dat betekent dat haar verbondenheid met de politiek steeds verder afneemt zal haar culturele waarde blijven bestaan. Dat is voor mij de essentie en daarom kan ik naar hartelust oranjegezind en D66er zijn.
Dit weekeind viert Leeuwarden haar geschiedenis als Hofstad met een driedaags festival. Ik zal er in ieder geval bij zijn!
http://www.hofstad-leeuwarden.nl/hofstad-festival
Maxime Verhagen
31 augustus 2011
Ik kan er niks aan doen. Het spijt me al voordat ik begonnen ben met schrijven. Als het iemand anders betrof dan had ik hem of haar hartelijk uitgelachen. Het is een zielige vertoning voor een D66’er. Ik schaam me diep. Toch moet ik het toegeven: ik ben fan van Maxime Verhagen.
In het Friesch Dagblad van maandag 29 Augustus prijkt op pagina 9 een bijna levensgrote foto van Maxime Verhagen. De foto is genomen op het historische CDA congres van zaterdag 2 oktober 2010. Maxime kijkt half verbaasd half verwachtingsvol omhoog terwijl hij vertwijfeld zijn hand door zijn haar haalt. Op de foto zijn zowel zijn denkrimpels, zijn trouwring als zijn hippe pak te zien. Begeleid door de groen witte CDA kleuren is dit een promoplaatje pur sang. Zelden heeft een foto, laat staan een portret, me zo gefascineerd. De reden hiervoor is dat, ook na zorgvuldige bestudering, ik maar niet kan beslissen of de man in deze foto emotioneel is of emotioneel speelt. Bijna een jaar na het bewuste congres en alle commotie over het wel of niet vooraf geënsceneerde optreden, ben ik er nog steeds niet over uit. Zijn de tranen van Maxime de tranen van iemand die het wel en wee van zijn partij doorvoelt, of zijn het de tranen van een groot strateeg die ons allen zorgvuldig naar de juiste plaats op het slagveld manoeuvreert. Om vervolgens, als volleerd cavalerist, met uitgekiende kracht over ons heen te denderen. Op weg naar de overwinning…. of toch niet? Waar normaal gesproken mijn intuïtie en een klein beetje mensenkennis me helpen bij het doorzien van dergelijk gedrag sta ik nu, net als Maxime, vertwijfeld met mijn handen in mijn haar. Deze man is een raadsel voor mij en dat maakt hem, ja ik moet het toegeven, tot een van de spannendste mannen van Nederland.
Met Maxime is het CDA weer interessant geworden. Door Maxime trek ik me, voor het eerst sinds jaren, weer iets aan van wat het CDA vindt. Zoals op 23 juni van dit jaar. Toen – wederom in het Friesch Dagblad en ook het Katholiek Nieuwsblad – een opinieartikel van Maxime Verhagen verscheen. In dit artikel poogt Verhagen zijn eigen ‘volkspartij’ neer te zetten als hét antwoord op populistische sentimenten in het algemeen en partijen als de PVV en D66 in het bijzonder. Tot mijn verbazing wordt D66 weggezet als de partij die instituties louter wil ‘afschaffen en vervangen door een directe democratie’. Dit zinnetje staat in een van de laatste alinea’s, als een kers op de taart, zomaar, plomp verloren, zonder nuancering. Als Balkenende het had gezegd had ik lachend mijn schouders opgehaald. Echter, alles is anders na de ‘wel of niet krokodillentranen’ van Maxime.
Ook nu wij zelf vakkundig gepositioneerd worden in een positie die ik zelf niet als de mijne herken, kan ik niet anders dan, naast afgrijzen ook bewondering te voelen voor dit strategisch talent. Met het schaamrood op mijn kaken moet ik toegeven: ik ben nog steeds fan.



word lid

