Beluister deze pagina met proReader

Column: Democratischer?

zaterdag 29 oktober 2011


Na maanden genoeglijk keuvelen over de liberale overeenkomsten tussen onze partijen zijn mijn collega van de VVD en ik het opeens hartsgrondig  met elkaar oneens. De discussie tussen ons spitst zich toe op de inspraak die onze partijen geven aan hun leden. 

“Jullie zijn democratisch bij de voordeur, wij bij de achterdeur” stelt hij. “Niet waar” zeg ik   “jullie zijn democratisch bij de achterdeur, wij zijn democratisch bij de voor- én achterdeur, dat is een wezenlijk verschil!” “Klopt” zegt hij, “maar, dat betekent niet dat wij minder democratisch zijn dan jullie.”

Is dat waar vraag ik me af. Is democratie bij de achterdeur voldoende? Hij doet er nog een schepje bovenop: “jij maakt van democratie een optelsom. Wie het vaakst de gelegenheid geeft tot inspraak, stemming, etcetera is democratischer.”


Democratie is niet een onderwerp waar ik graag over praat met andere D66’ers. We zijn zo doordrongen van deze basiswaarde van onze partij dat kritische vragen misplaatst lijken. Waarom zou je willen rommelen aan de basis? Ik moet bekennen dat ik de zeer ondemocratische neiging heb om er dan maar niet over te praten. Bang voor de reactie van anderen. Toch is het een onderwerp dat me regelmatig bezig houdt en waar ik in de loop van de jaren veel kritischer en vooral ook minder enthousiast over geworden ben. Ik maak me vaak zorgen over bijvoorbeeld het behoud van expertise binnen democratische besluitvormingsprocedures. De soms beangstigende invloed van slecht geïnformeerde mensen en andere soortgelijke vraagstukken. Maar of het antwoord daarop ligt in het reduceren van inspraak en instemmingsmoment durf ik niet te stellen. Is mijn zogenaamde optelsom daadwerkelijk een som of is zij een uiting van een basiswaarde?

 

 “Wat is nu precies de meerwaarde van die democratische voordeur van jullie?” vraagt hij.

Ik vertel hem over de laatste Algemene Regio Vergadering van D66 Fryslân. In deze vergadering werd een instellingsbesluit voor een nieuwe commissie teruggestuurd naar de tekentafel. De reden hiervoor was niet een onduidelijke taakomschrijving of andere inhoudelijkheden. De vergadering was van mening dat de opstellers, waaronder ik zelf, te voorbarig en daarom ondemocratisch waren geweest. In een poging de commissie zo snel mogelijk leven in te blazen hadden wij namelijk alvast een voorsortering gemaakt op de mensen die deze commissie zouden kunnen gaan bemannen. Een poging dus om de democratische voordeur over te slaan. De vergadering maakte hier onmiddellijk korte metten mee. Zij gaf de opdracht een open en democratische procedure op te stellen voor deelname aan de commissie en dit in een volgende vergadering weer opnieuw voor te stellen.

 
“Maar dat is nog een heel proces waar je nu nog helemaal door heen moet. Dat is maanden stilzitten.” roept mijn collega uit.

“Dat is ook zo” geef ik toe. “Ik zeg ook niet dat het niet stomvervelend is, maar dat is het punt niet. Het is geen optelsom maar een principieel uitgangspunt. Dat deze processen moeilijk en vermoeiend zijn en soms niet altijd vlekkeloos verlopen betekent niet dat het principe niet klopt. Het betekent slechts dat de procedures die dit principe moeten borgen niet waterdicht zijn. Aan ons de taak daar altijd kritisch over na te blijven denken.” 





print pagina Mail een vriend

Inhoudsopgave


RSS
 

Kies een datum

RSS